Waarom kinderen niet te vroeg op één positie moeten spelen

Voetbal leren betekent het spel vanuit verschillende posities ervaren.

A youth soccer coach kneeling beside a young player at the sideline, pointing towards the pitch while they talk.

Een kind van negen dat graag scoort, wordt al snel spits genoemd. Een kind dat sterk verdedigt, staat week na week achterin. En degene die als eerste zijn hand opstak toen er een keeper nodig was, kan zomaar een heel seizoen in het doel belanden.

Dat voelt logisch. Je zet spelers waar ze vandaag het beste tot hun recht komen.

Maar bij jonge kinderen is vandaag niet hetzelfde als later.

Een positie is nog geen identiteit

Op 8, 9 of 10 jaar zijn spelers nog volop aan het ontdekken wat ze kunnen. Ze groeien op verschillende momenten, leren in verschillend tempo en voelen zich niet iedere week hetzelfde op het veld.

De KNVB adviseert daarom om jonge spelers niet te vroeg vast te zetten op één positie. In trainersmateriaal wordt juist aangeraden kinderen verschillende posities te laten ervaren. Dat geldt ook voor de keeper. Tot en met O12 werkt KNVB Rinus zonder vaste keeper als uitgangspunt.

Dat heeft een eenvoudige reden: iedere positie laat een ander deel van het spel zien.

Een verdediger leert het spel voor zich lezen en opbouwen onder druk. Een middenvelder leert draaien, keuzes maken in kleine ruimtes en aan beide kanten van de bal spelen. Voorin leer je ruimte maken, vrijlopen en handelen dicht bij het doel. In het doel leer je weer andere dingen: positie kiezen, communiceren, reddingen maken en het spel hervatten.

Een kind dat meerdere rollen ervaart, krijgt meer manieren om voetbal te begrijpen.

Verschillende posities geven verschillende beslissingen

Ontwikkeling gaat niet alleen over techniek. Het gaat ook om herkennen wat er gebeurt en daar een keuze aan koppelen.

Sta je linksback, dan zie je andere situaties dan in de spits. Speel je centraal op het middenveld, dan komt de druk van meerdere kanten. Sta je in het doel, dan ligt het spel meestal voor je.

Als een kind altijd op dezelfde plek staat, krijgt het steeds ongeveer dezelfde soorten beslissingen. Dat kan prettig voelen, maar het verkleint ook de ervaring.

Juist in de jongste leeftijdsgroepen is breedte waardevol. Niet omdat ieder kind later op iedere positie moet kunnen spelen, maar omdat je pas echt een voorkeur kunt ontwikkelen als je iets hebt kunnen proberen.

Je ziet alleen wat een kind de kans krijgt te laten zien

Er zit nog een tweede probleem in te vroeg vastleggen.

Als een kind altijd op dezelfde plek staat, zie je vooral hoe dat kind het op díé plek doet.

Zo ontstaat makkelijk een kringetje. Het kind doet het goed achterin, dus blijft het achterin staan. En omdat het daar blijft staan, krijg je nooit te zien wat het verder nog in huis heeft.

De keuze lijkt dan door de praktijk bevestigd, terwijl je de andere mogelijkheden eenvoudigweg nooit hebt bekeken.

Op negen of tien jaar weet je nog heel weinig over de speler die dit kind later wordt.

Het moeilijkste aan coachen

Zien wat een kind al goed kan is niet zo ingewikkeld.

Het moeilijkere werk is zien wat een kind nog moet leren.

Dat betekent soms dat je niet voor de makkelijkste oplossing van zaterdag kiest.

Een kind op een ongewone positie heeft meer tijd nodig om te beslissen. Het staat niet meteen op de juiste plek. Een ander kind zou die rol die dag waarschijnlijk beter invullen.

Dat hoort erbij. Het is precies het moment waarop er iets wordt geleerd.

Het vraagt vooral iets van jou langs de lijn: accepteren dat het er vandaag rommeliger uitziet, omdat het op langere termijn meer oplevert.

Ook tijdens wedstrijden

Posities rouleren hoeft niet alleen op training.

Een wedstrijd geeft andere druk, andere ruimtes en andere keuzes. Daarom is het waardevol om kinderen ook daar van positie te laten wisselen.

Dat hoeft niet chaotisch te worden. Je kunt vooraf een eenvoudig plan maken:

  1. Laat spelers gedurende een periode of een duidelijk blok op één positie spelen.
  2. Wissel daarna van rol, niet iedere twee minuten.
  3. Geef kinderen geregeld ervaring voorin én achterin.
  4. Laat meerdere kinderen keepen, zeker in de jongste teams.
  5. Kijk over meerdere wedstrijden of iedereen verschillende delen van het veld heeft ervaren.

Het doel is niet dat iedere speler iedere positie exact even vaak speelt. Het doel is dat een vroege voorkeur niet ongemerkt verandert in een vaste beperking.

"Maar hij wil alleen spits spelen"

Dat is waardevolle informatie. Luister ernaar.

Een kind mag een favoriete positie hebben. Dat is iets anders dan alleen nog maar die positie spelen.

Je kunt prima zeggen: "Vandaag begin je voorin. In de volgende periode probeer je ook even achterin." Zo blijft de favoriete rol bestaan, terwijl het kind nieuwe situaties leert kennen.

Hetzelfde geldt voor een kind dat altijd wil keepen. Laat die liefde voor keepen vooral bestaan. Geef het kind óók tijd als veldspeler. Een moderne keeper heeft uiteindelijk juist veel aan balvaardigheid, spelinzicht en ervaring buiten het strafschopgebied.

Wanneer mag specialisatie dan wel?

Er is geen magische verjaardag waarop een positie ineens vast moet liggen.

Wel verschuift het accent naarmate kinderen ouder worden. In de jongste jaren hoort ontdekken centraal te staan. Richting het grote veld kan een duidelijke voorkeur steeds meer gewicht krijgen, zeker als die voorkeur ook van het kind zelf komt.

De belangrijke vraag is daarom niet: "Op welke positie is dit kind nu het beste?"

Vraag liever: "Welke ervaringen heeft dit kind nog nodig om het spel beter te leren begrijpen?"

Dat is een veel interessantere coachvraag.

Het hele veld is leermateriaal

Een linksback kan later middenvelder worden. Een spits kan ontdekken dat keepen geweldig is. Een keeper kan juist verliefd worden op het middenveld.

Je hoeft dat niet vooraf te voorspellen.

Je hoeft alleen te voorkomen dat je de keuze te vroeg voor ze maakt.