De keeper speelt. Maar speelt die ook voetbal?
Hoe ouders en trainers over speeltijd praten, en waarom minuten in het doel op twee manieren bekeken moeten worden.
Er zit een paradox in het jeugdvoetbal waar we weinig over praten. Het kind dat iedere wedstrijd alle minuten speelt, kan tegelijk het kind zijn dat het minst brede voetbalervaring opdoet.
De keeper.
Ze is acht en staat iedere wedstrijd in het doel. Op papier is haar speeltijd perfect. Haar ouders zien geen reden om te klagen. De trainer verdeelt de minuten tussen de veldspelers netjes.
Maar als dit jarenlang zo doorgaat, kan er een flinke kloof ontstaan. Haar teamgenoten hebben duizenden situaties meegemaakt waarin ze onder druk aannemen, dribbelen, vrijlopen, combineren en keuzes maken in kleine ruimtes. Zij heeft vooral geleerd keepen.
Dat is niet per se het gevolg van slecht trainerschap.
Het probleem begint eerder: we meten maar één soort speeltijd.
Totale speeltijd en tijd als veldspeler
De eerste maat is eenvoudig: totale speeltijd. Iedere minuut dat een kind in de wedstrijd staat telt mee, ongeacht de positie. Minuten als keeper zijn echte minuten. Het kind doet mee met het team en speelt de wedstrijd.
De tweede maat is: tijd als veldspeler. Dat zijn de minuten waarin het kind buiten het doel meespeelt en dezelfde soorten situaties krijgt als andere veldspelers.
Voor een veldspeler zijn die twee getallen gelijk.
Voor een keeper kunnen ze sterk uiteenlopen.
Een kind dat een wedstrijd van 50 minuten speelt, waarvan 25 minuten in het doel en 25 minuten in het veld, heeft 50 minuten totale speeltijd en 25 minuten als veldspeler.
Het eerste getal zegt: dit kind deed de hele wedstrijd mee.
Het tweede zegt: de helft van de wedstrijd kreeg dit kind ervaring als veldspeler.
Je hebt beide nodig om het hele verhaal te zien.
De vraag van de ouder en de vraag van de trainer
Een ouder kijkt naar de wedstrijd en vraagt meestal:
- Heeft mijn kind gespeeld?
- Hoe lang?
- Ongeveer evenveel als de anderen?
Dat zijn terechte vragen. Ze gaan over deelname en erbij horen.
De trainer heeft nog een andere vraag:
- Welke soorten situaties krijgt dit kind?
- Heeft het ook onder druk aan de bal gespeeld?
- Heeft het verschillende posities ervaren?
- Krijgt het genoeg herhalingen om zich breed te ontwikkelen?
Bij veldspelers vallen die perspectieven vaak samen.
Bij een kind dat veel keept, lopen ze uiteen.
Waar de cijfers uit elkaar gaan
Stel je twee kinderen voor in hetzelfde team.
De één speelt een heel seizoen op het middenveld. De ander staat vrijwel altijd in het doel. Aan het einde hebben ze allebei 1.000 minuten speeltijd.
Op de gebruikelijke statistiek hebben ze exact hetzelfde seizoen gehad.
Maar hun voetbalervaring was niet hetzelfde.
De middenvelder kreeg 1.000 minuten als veldspeler. De keeper misschien nauwelijks.
Beide kinderen kunnen veel geleerd hebben. Alleen niet dezelfde dingen.
Voor een keeper van zestien die bewust voor de positie heeft gekozen, kan dat logisch zijn.
Voor een kind van negen dat in week twee in het doel ging omdat niemand anders zijn hand opstak, is het iets anders. Dat kind heeft misschien nog helemaal geen positie gekozen. Het heeft een rol gekregen.
Wat de KNVB hierover zegt
Voor Nederlandse jeugdtrainers is dit punt opvallend duidelijk.
De KNVB adviseert om jonge spelers verschillende posities te laten ervaren. In de visie op jeugdkeepers wordt bovendien expliciet gesteld dat jonge spelers ook het keepen moeten kunnen proberen en dat er tot en met O12 niet vanuit een vaste keeper hoeft te worden gewerkt.
Dat is een belangrijk uitgangspunt.
Keepen mag een ervaring zijn voordat het een specialisatie wordt.
De bredere KNVB-lijn past daarbij: jonge spelers leren door veel te spelen, verschillende rollen te ervaren en zo veel mogelijk in echte voetbalsituaties terecht te komen.
De KNVB hanteert geen landelijk minimumpercentage voor individuele speeltijd. Wel staat in trainersmateriaal een duidelijk advies om iedereen evenveel speeltijd te geven en beschikbare tijd zo eerlijk mogelijk te verdelen.
Maar zelfs een perfect eerlijke verdeling van speeltijd lost het keeperprobleem niet op als één kind al die minuten in het doel staat.
Wat een jonge keeper mist als de rol te vroeg vaststaat
Keepen ontwikkelt belangrijke kwaliteiten. Reacties, positie kiezen, moed, communicatie, spelhervattingen en beslissingen onder druk.
Toch zijn veel situaties anders dan die van een veldspeler.
Balaanrakingen
Kleine wedstrijdvormen worden juist gebruikt omdat ze kinderen vaker aan de bal brengen. Ook onderzoek van de KNVB naar kleinere wedstrijdvormen laat zien dat spelers vaker betrokken zijn en meer succesvolle balcontacten hebben wanneer er minder spelers op het veld staan.
Een keeper is afhankelijk van wat de wedstrijd naar het eigen doel brengt: schoten, terugspeelballen, doeltrappen en opbouwmomenten.
In een rustige jeugdwedstrijd kan dat weinig zijn.
Een veldspeler hoeft niet te wachten tot de situatie naar hem toe komt. Die beweegt er voortdurend middenin.
Waarnemen en beslissen
Een veldspeler leest steeds nieuwe informatie.
Welke kant kan ik opdraaien? Komt er druk in mijn rug? Wie is vrij? Moet ik passen, dribbelen of de bal afschermen? Waar ontstaat ruimte?
Een keeper neemt ook moeilijke beslissingen, maar vaak andere: uitkomen of blijven, kort of lang hervatten, de verdediging neerzetten.
Die keeperbeslissingen zijn waardevol. Ze vervangen alleen niet alle beslissingen die je als veldspeler opdoet.
Te vroege specialisatie
Brede sportontwikkeling vóór de puberteit heeft één groot voordeel: kinderen krijgen tijd om te ontdekken wat bij ze past en bouwen een bredere motorische en tactische basis op.
In voetbal is keeper de positie die het makkelijkst te vroeg vast kan komen te liggen.
Een kind dat van zes tot twaalf vrijwel uitsluitend keept, heeft jaren minder ervaring als veldspeler dan de rest van het team.
En juist een moderne keeper heeft later veel aan veldspelerskwaliteiten: aannemen onder druk, passen, positie kiezen in de opbouw en beschikbaar zijn als extra aanspeelpunt.
De keeperparadox
Daar zit de paradox.
Een kind kan iedere minuut van iedere wedstrijd spelen en tóch een eenzijdige voetbalervaring krijgen.
De traditionele speeltijdmeting zegt: perfect, 100 procent.
De ontwikkelingsvraag zegt: hoeveel daarvan was in het veld?
Zodra je die tweede vraag toevoegt, zie je iets wat anders verborgen blijft.
Twee cijfers in de praktijk
De praktische oplossing hoeft niet ingewikkeld te zijn.
Houd voor ieder kind bij:
- totale speeltijd;
- minuten als keeper;
- daaruit volgt hoeveel tijd het kind als veldspeler speelde.
Dat maakt patronen over een seizoen zichtbaar.
Een kind met veel totale speeltijd en weinig tijd als veldspeler verdient misschien extra aandacht in de volgende wedstrijden.
Het maakt afspraken ook concreet. Spreek je met een kind en ouders af dat het ongeveer een halve wedstrijd keept en een halve wedstrijd in het veld speelt, dan kun je achteraf zien of dat daadwerkelijk gebeurt.
Meten vervangt coaching niet. Het maakt alleen zichtbaar wat je anders makkelijk vergeet.
Tot en met O12: rouleren
Voor de leeftijd waarop FairSub zich vooral richt, sluit een praktische regel goed aan op de KNVB-visie:
Maak keeper tot en met O12 een rol die meerdere kinderen ervaren, niet automatisch één vaste identiteit.
Dat betekent bijvoorbeeld:
- Laat meerdere kinderen keepen.
- Geef een kind dat graag keept ook structureel tijd als veldspeler.
- Kijk naar het patroon over meerdere wedstrijden, niet naar één zaterdag.
- Laat een duidelijke voorkeur steeds meer meetellen naarmate het kind ouder wordt.
- Maak specialisatie iets waar het kind zelf in groeit, niet iets wat toevallig ontstaat omdat niemand anders wilde keepen.
Een 50/50-verdeling tussen doel en veld kan voor een enthousiaste jonge keeper een bruikbaar vertrekpunt zijn. Het is geen wetenschappelijke grens en geen KNVB-regel. Het is vooral een eenvoudige structuur die voorkomt dat de veldspelerservaring volledig verdwijnt.
Het kind dat juist heel graag keept
Dit is geen pleidooi tegen keepers.
Integendeel.
Keepen is technisch, tactisch en mentaal een van de moeilijkste rollen in een team. Een speler die later bewust voor die positie kiest, verdient goede keeperstraining en een club die die keuze serieus neemt.
Maar een keuze is sterker als het echt een keuze was.
Een kind van negen dat graag duikt en ballen tegenhoudt, hoeft nog niet te weten of het later keeper wil zijn. Misschien ontdekt hetzelfde kind over twee jaar dat het geweldig is om op het middenveld te spelen.
Laat die mogelijkheid bestaan.
Ook voor oudere keepers blijft veldvaardigheid nuttig. Het moderne spel vraagt keepers die comfortabel zijn aan de bal, durven opbouwen en als extra aanspeelpunt functioneren.
Tijd als veldspeler staat dus niet tegenover keepersontwikkeling. Het kan er onderdeel van zijn.
Wat voetbalbonden nog beter zichtbaar zouden kunnen maken
Als je alleen totale speeltijd meet, behandel je keeperminuten en veldspelerminuten als dezelfde ontwikkelervaring.
Voor deelname klopt dat. Voor ontwikkeling vertelt het niet het hele verhaal.
Een bond of club zou daarom twee dingen apart kunnen volgen:
- hoeveel tijd een kind daadwerkelijk speelde;
- hoeveel daarvan in het doel was.
Meer hoeft het niet te zijn.
Je hebt geen ingewikkeld scoremodel nodig. Alleen twee kolommen die een patroon zichtbaar maken.
Beperkingen
Een paar nuances zijn belangrijk.
50 procent is geen magische ontwikkelingsgrens. Of een kind 49 of 51 procent in het veld speelt, maakt op zichzelf geen aantoonbaar verschil. Zulke grenzen zijn hulpmiddelen voor trainers, geen biologische wetten.
Niet iedere balaanraking is gelijk. Een keeper kan in een wedstrijd intensief betrokken zijn bij de opbouw en meer aan de bal komen dan een buitenspeler in een eenzijdige wedstrijd.
De precieze verschillen zijn onvoldoende gemeten. Er is onderzoek naar balaanrakingen en beslissingen in kleine wedstrijdvormen, maar veel minder goed onderzoek dat jonge keepers per wedstrijd op dezelfde manier vergelijkt.
Leeftijdsgrenzen zijn richtlijnen. Ontwikkeling verschilt per kind. De KNVB-lijn rond rouleren tot en met O12 is praktisch en sterk, maar coaching blijft mensenwerk.
Meten helpt je kijken. Het neemt de beslissing niet van je over.
Wat er op het spel staat
Clubs zonder keeper zoeken vaak opgelucht naar een kind dat het leuk vindt.
En zodra ze er één hebben gevonden, is de verleiding groot om dat kind daar te laten staan. Iedere week. Het probleem is opgelost.
Voor het team misschien.
Voor het kind is de vraag nog open.
De oplossing is niet om keepers af te schaffen of kinderen te verbieden een favoriete positie te hebben. De oplossing is om breedte zichtbaar te houden. Laat een jonge keeper keepen én voetballen. Laat het seizoen laten zien hoeveel van beide er daadwerkelijk gebeurde.
Een kind van acht weet nog niet of het keeper is.
Het weet alleen dat duiken naar een bal leuk kan zijn.
Laat het ook ontdekken hoe het voelt om langs een verdediger te dribbelen, een pass door het middenveld te geven of zelf in de opbouw aanspeelbaar te zijn.
De keeper speelt. Mooi.
Zorg er nu voor dat de keeper ook voetbal speelt.
Nederlandse bronnen
- KNVB, Visie op de keeper binnen het jeugdvoetbal: advies om op jonge leeftijd met keepers te rouleren, zeker tot en met O12; Rinus werkt tot en met O12 zonder vaste keeper.
- KNVB Rinus, Voor de wedstrijd: advies om spelers op verschillende posities te laten spelen en iedereen evenveel speeltijd te geven.
- KNVB, Pilot vernieuwde spelregels: onderzoek naar kleinere wedstrijdvormen en betrokkenheid van spelers.
Referenties uit het oorspronkelijke artikel
- Araújo, D., Davids, K., & Hristovski, R. (2006). The ecological dynamics of decision making in sport. Psychology of Sport and Exercise, 7(6), 653–676.
- Baker, J., Cobley, S., & Fraser-Thomas, J. (2009). What do we know about early sport specialization? Not much! High Ability Studies, 20(1), 77–89.
- Brenner, J. S., & American Academy of Pediatrics Council on Sports Medicine and Fitness. (2016). Sports specialization and intensive training in young athletes. Pediatrics, 138(3), e20162148.
- Côté, J., & Hay, J. (2002). Children's involvement in sport: A developmental perspective.
- Côté, J., Lidor, R., & Hackfort, D. (2009). To sample or to specialize? International Journal of Sport and Exercise Psychology, 7(1), 7–17.
- Côté, J., & Vierimaa, M. (2014). The developmental model of sport participation: 15 years after its first conceptualization. Science & Sports, 29, S63–S69.
- Fenoglio, R. (2003, 2004). The Manchester United 4 v 4 pilot scheme for U-9s.
- Pinder, R. A., Davids, K., Renshaw, I., & Araújo, D. (2011). Representative learning design and functionality of research and practice in sport. Journal of Sport and Exercise Psychology, 33(1), 146–155.
- Small, G. (2006). Small-Sided Games Study of Young Football Players in Scotland.
- Wall, M., & Côté, J. (2007). Developmental activities that lead to dropout and investment in sport. Physical Education and Sport Pedagogy, 12(1), 77–87.